HomeFragmentenBibliografieUit de persForumGeraadpleegde bronnen Het schervengericht

Fragment uit Het schervengericht
 


‘Hoe heet jij?’
‘Ik blijf me niet voorstellen.’
‘Je naam.’
‘Scott Maddox.’
‘Hoe heet je echt?’
‘Maddox, Scott. Vraag het Carhartt. Vraag het
De Griek.’
‘Die weten niet beter.’
‘Als jij het beter weet, zeg het dan.’
‘Scott, wie ben jij?’
‘Een heel andere vraag.’
‘Zeg me wie je bent. Ik heb er recht op.’
‘Wil je me leren kennen?’ schreeuwde hij opeens.
Hij begon aan de kram te rukken waarmee het uiteinde van het verband in zijn nek vastzat. Doordat hij van zijn ingezwachtelde handen alleen de ontvelde vingertoppen
kon gebruiken, kwam het stukje metaal met z’n weerhaakjes steeds dieper in het gaas vast te zitten.
‘Doe geen moeite,’ zei Remo. ‘Ik weet wie je bent.’
‘Ik weet wie jij bent. Daarom doe ik die moeite juist.’
‘Jij was het.’
‘Ik was wat?’
‘Jij hebt het gedaan.’
‘Wat?’
‘Mijn vrouw.’
‘Die is in het kraambed gestorven.’
‘Nog voor de kleine er was, ja.’
‘Ik heb niets gedaan. Ik ben geen verloskundige.’
‘Je personeel.’
‘Ik zie het nu,’ zei Maddox. ‘De regisseur.’
‘De regisseur, Scott, dat ben jij.’
‘Twee regisseurs, voor anker aan hun dekzwabber.’
‘Ze hebben allebei hun dromen geregisseerd.’
‘Bij jou was het kunstlicht en namaakbloed. Ik ben je de baas.’
Remo liet de steel van zijn trekker los, en klauwde met tien vingers tegelijk in de verbandkluwen rond Maddox’ hoofd. ‘Jij bent...’ Met zulke hevig trillende handen was het niet gemakkelijk een begin te maken met het afwikkelen van de windsels. En dan waren er
nog de krammen, waarvan er een op het achterhoofd zat. Remo haakte twee vingers achter een strook verband, en trok. Maddox steunde van de pijn, en duwde zijn omzwachtelde handen tegen Remo’s borst, maar zonder veel kracht.
‘Ik ben het,’ klonk het dof uit een mond die nu achter het verschoven verband schuilging. ‘Ik ben die ik ben. Ik ben die ben.’
Remo bleef trekken. De windsels kwamen in lussen los. Er hing een hele wolk van tussen hun hoofden. De onderste laag, die vastgeplakt zat in de brandwonden, moest met nog meer geweld losgetrokken worden.
Maddox hield zijn pijnkreten gedempt, misschien om de bewakers niet te alarmeren.
Naar onderen toe werden de zwachtels smeriger. Groenig van pus en zalf, en bevlekt met bijna zwartgeworden bloed. Remo trok, en Maddox draaide rond zijn as, zichzelf los windend van het verband.
‘Wie ben jij?’
Nog steeds geen gezicht. Het ging schuil achter een samenstel van zachte, bruine wondkorsten, waartussen stippellijnen van opkomend bloed liepen, dat spoedig rijkelijk begon te lekken.
‘Je ziet toch wie ik ben.’
Wat onder de windsels vandaan was gekomen, was op z’n best een mager, haarloos hoofdje met ingevallen wangen – een doodskopje bedekt met ettersliertjes die op maden leken.
‘Nee, dat zie ik niet. Maak je bekend.’
Voor het ene oog een dot watten, met pleisters op z’n plaats gehouden. Het andere keek Remo fel en bloeddoorlopen aan. De swastika… Ook tussen de verheffingen waar vroeger wenkbrauwen moesten hebben gezeten, welfde zich een geelbruine roof, die niets prijsgaf behalve een kleine winkelhaak; er drupte bloed uit.
Dit gezicht kon toebehoren aan de man die hij voor zich dacht te hebben. Het kon net zo goed van iemand anders zijn.


Fragment uit De vondeling
 

De Eeuwige Gloeipeer

Sterfelijkheid alom. Eindigheid de norm. Ik weet waar ik over praat. Als je door de duizenden jaren heen al die miljoenen geslachtsrijpe mannen en vrouwen telkens weer onvermoeibaar op elkaar hebt zien kruipen, moet je wel concluderen dat ze het doen vanuit de ijdele en wanhopige hoop ten minste één keer een wezen te verwekken dat niet voor de schroothoop bestemd is. Een onsterfelijke mens - een soort Eeuwige Gloeilamp, die aan de waakzaamheid van Philips' economische bloedhonden ontsnapt is, en door de millennia heen mag blijven branden. Ook 's nachts, zoals Movo eraan toegevoegd zou hebben.
Met Jezus Christus dacht het dwepende gepeupel er dichtbij te zijn, maar het is een twijfelgevalletje gebleven. Een halfgod, half gestorven, half weer opgestaan... alles half werk... met een leer gebouwd op halfheden... Nee, dan zijn de joden eerlijker, die gaan gewoon over tot de orde van de dag, en zien wel of hij nog komt, hun verlossende gloeipeer...
Ondertussen blijven ze baltsen, paren, dragen en werpen tot ze erbij neervallen, de mensen. Ze creperen, op de snijtafel of gewoon in bed, waar voor de zekerheid alvast een zeiltje ingelegd is... maar creperen zullen ze... en hun nageslacht staat ook op de nominatie om te creperen, net zo goed... tot de laatste telg. En toch... ooit moet het lukken iets duurzamers voort te brengen. Het is precies die tantaliserende drogreden die de menselijke soort in stand houdt, terwijl het sterven gewoon tot sint-juttemis doorgaat, als er zelfs geen kalveren meer zijn om op het ijs te dansen. Geniale inval van God (een volle, geen halve) om zijn onderdanen, dat crapuul, klein te houden.
De Eeuwige Gloeipeer... die zit er niet in. Nooit. Al zou de hele wereldbevolking zich vierentwintig uur per dag met nauwelijks iets anders bezighouden dan het voltrekken van de bijslaap... Zelfs de grote lamp aan het firmament blijft niet tot in lengte van dagen op volle sterkte branden, en tegen dat het tijd wordt te reclameren, zijn zelfs de taaiste querulanten kassiewijle.

Haar steentje aan het eeuwige proces van eindigheid bijdragen, dat had de kleine Zora niet veel lichamelijke inspanning gekost. Een paar minuten op een man zitten, lekker nat en knus... een picknick van luie lijven onder een zilveren parasol... dat was het wel zo'n beetje, en nog betaald ook, exclusief de reiskostenvergoeding. De dracht zelf was voornamelijk een zaak geweest van de juiste kleren dragen. Niemand had haar hoeven beklagen in haar toestand, want die was door iedereen uitgelegd als tijdelijke puberale vetzucht, niets om je druk over te maken. Goed, ze was in de loop van een halfjaar uitgedijd tot een kwabbig ronde roomsoes, verpakt in vele kledinglagen bij wijze van bladerdeeg, maar dat had het knappe vriendje er niet van weerhouden haar trouw te blijven. Stethoscopen, bloeddrukmeters en in vaseline gedrenkte rubberhandschoenen waren er niet aan te pas gekomen... geen centje pijn...
En toch moest ook dit meisje, dat met haar zwangerschap niemand tot last was geweest, vroeg of laat baren.
'Vandaag of morgen is het zover, Twan,' zei ze in de derde week van oktober. 'We weten tot op het uur precies wanneer ik zwanger raakte... maar het is niet gezegd dat ik pas rond de tiende november beval. Ik voel aan m'n vruchtwater dat het eerder zal zijn... We moeten iets regelen, jongen. In m'n uppie red ik het niet.'
'Als ik nou 's op zoek ging naar een vroedvrouw...'
'Wel een gediplomeerde, hoor.'
'Allicht. Geen knoeiwerk. Eentje die wel 's een centje wil bijverdienen... en d'r kop kan houwen...'
'Waarover?'
'Nou, waar ze normaal ook hun kop over moeten houwen. Ik bedoel, als het een ongelukkig kindje is...'
'Wie zegt dat we een ongelukkig kindje krijgen?'
'Ik niet. Ik wil alleen maar zeggen dat ze heel goed weten, zulke vroedvrouwen, wat ze moeten doen als het een ongelukkig kindje is...'
'Hoofdkussen erover, bedoel je?'
'Zoiets, ja.'
'Ik begin iets te begrijpen, geloof ik... je wou de vroedvrouw extra geld geven om de baby, gezond of niet, onder een kussen te laten stikken?'
'Hoe stel jij 't je dan voor, trut? Vroedvrouw met schoongeschrobde baby naar beneden om 'm aan je moeder te laten zien... beschuit met muisjes tot we allemaal een pens als een rumbabal hebben...'
'Ik weet het allemaal nog niet... hoe het moet en zo... Maar ik laat mijn kindje niet met jouw geld doodmaken... en ook niet gratis en voor niks...'
'We hebben geen andere keus, Zoortje. Niemand verwacht het, behalve wij... en niemand zit erop te wachten, ook wij niet...'
'D'ruit, Tonnis Mombarg. Wegwezen hier.'
'Zora, denk na. Onze toekomst staat op het spel.'
'Wie met doodmaken begint, heeft al geen toekomst meer. Ga weg.'
'Zoortje, toe nou...'
'Ik ga gillen, hoor. Pleur op, klootzak. Laat ik je hier niet meer zien.'